Een passende, maar niet de allerbeste of allergoedkoopste polis adviseren mag

23 februari 2016 10:00 Een tussenpersoon maakt geen fout als hij zijn klant wel een passende, maar niet de allerbeste of allergoedkoopste polis adviseert (tenzij hij dat uitdrukkelijk had toegezegd). Aldus de rechtbank Midden-Nederland in een zaak waarin de Rabobank als assurantietussenpersoon wordt beschuldigd van het maken van een beroepsfout.

De beoordeling
De zaak is aangespannen door Woo onroerend goed inzake een pand dat Woo verhuurde aan een Chinees-lndisch restaurant. Rabobank heeft als assurantietussenpersoon van Woo in 2002 bemiddeld bij het sluiten van een opstalverzekering bij Interpolis. In 2010 is het pand afgebrand. Interpolis heeft niet uitgekeerd, met een beroep op een preventieclausule die Woo verplichtte om de afzuiginstallatie en de afvoerkanalen tweemaal per jaar te laten schoonmaken. De vordering van Woo tegen Interpolis is in twee instanties afgewezen. In deze procedure vordert Woo schadevergoeding van Rabobank, wegens een beroepsfout. Woo stelt dat zij in 2002 een beurspolis had kunnen krijgen met vergelijkbare premie, maar zonder preventieverplichtingen en dat Rabobank een beroepsfout gemaakt heeft door haar in plaats daarvan de verzekering bij Interpolis te adviseren.

De rechter geeft aan waar een tussenpersoon aan moet voldoen. Een assurantietussenpersoon moet tegenover zijn opdrachtgever de zorg betrachten die van een redelijk bekwam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringsnemers, bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen en van degenen die via hem een verzekering aanvragen. Hoever die taak gaat en wat die taak precies inhoudt, hangt mede af van de overeenkomst van opdracht die hij met zijn klant gesloten heeft. Over het algemeen gaan mensen naar een assurantietussenpersoon, omdat zij advies wensen bij het vinden van een passende verzekering. Wat een passende verzekering is, hangt weer af van de wensen van de klant. Dat kunnen wensen zijn die hij heeft uitgesproken, maar ook aspecten, waarvan de adviseur redelijkerwijs moet begrijpen dat die voor de klant van belang zijn. Het kan zijn dat een klant ergens niet om vraagt, mogelijk omdat hij niet weet dat het bestaat, terwijl het wel bestaat en voor hem veel gunstiger is. Het is aan de tussenpersoon om hem daar spontaan over te adviseren.

Bij de beoordeling van beroepsaansprakelijkheid is van belang dat er altijd een zekere marge bestaat. De maatstaf is de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en niet of de beroepsbeoefenaar de best denkbare prestatie heeft geleverd. Een tussenpersoon maakt geen fout als hij zijn klant wel een passende, maar niet de allerbeste of allergoedkoopste, polis adviseert (behalve als hij dat uitdrukkelijk had toegezegd).

De rechtbank heeft Woo de gelegenheid gegeven om met feitelijke gegevens (en zo mogelijk met stukken) te onderbouwen dat zij in 2002 voor het pand daadwerkelijk een polis had kunnen krijgen zonder preventieverplichtingen, maar met een vergelijkbare premie. En als het daarbij om een beurspolis ging, dat dit toen een reële optie was. Woo onderbouwt zijn verhaal met verklaringen van twee beursmakelaars. Zij stellen dat zij een Chinees restaurant, in 2002, maar ook daarna, op de beurs hadden kunnen verzekeren, zonder garantieclausules, met een lagere premie dan op de polis bij Interpolis.

Rabobank komt met een verklaring van een andere makelaar in assurantiën: een beurspolis voor een Chinees restaurant zou in principe mogelijk zijn geweest, maar een slechte staat van onderhoud zou waarschijnlijk tot afwijzing zou hebben geleid. Ook is er nog een verklaring van een expert die verklaart dat ‘zware horeca’ zoals wokrestaurants moeilijk te verzekeren zijn, vanwege het grote brandrisico (open vuur, veel vet) en dat het algemeen gebruikelijk is dat deze risico’s verzekerd worden tegen hoge premies en met preventievoorwaarden.

De rechter concludeert: “De stukken vormen dus een aanwijzing dat een beurspolis voor het pand mogelijk geweest zou zijn, zij het dat de staat van onderhoud van het pand mogelijk een probleem zou zijn geweest.” Dat wil echter nog niet zeggen dat het een reële optie was, aldus de rechter die er op wijst dat het feit of een makelaar risico’s kan plaatsen afhankelijk is van verschillende factoren, onder meer het netwerk en de contacten van de makelaar bij verzekeraars, de status van de makelaar en de onderhandelingen die de makelaar voert. “Het sluiten van een beurspolis voor dit pand, in deze staat van onderhoud, zonder garantieclausules, zou niet voor iedere beursmakelaar mogelijk geweest zijn. Dat wordt bevestigd door het feit dat veel restaurants een gewone provinciale verzekering hebben met garantieclausules. Wanneer een beurspolis zonder garantieclausules (en met lagere premie) voor restaurants een reële mogelijkheid zou zijn, dan is moeilijk te verklaren dat er nog andere polissen op de markt zijn”, aldus de rechter.

Daar komt bij, zegt de rechter, dat Woo ook niet gevraagd heeft om een polis zonder garantieclausules, of andere bijzondere mededelingen gedaan heeft die Rabobank ertoe hadden moeten brengen om daarnaar onderzoek te doen. “Onder die omstandigheden kan gezegd worden dat Rabobank mogelijk een beter advies gegeven zou hebben als zij Woo een (beurs)polis zonder garantieclausules zou hebben geadviseerd, maar dat is niet voldoende voor de conclusie dat zij door het advies dat zij gegeven heeft, is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.”

De beslissing
In een eerder tussenvonnis is al geoordeeld dat Woo onvoldoende onderbouwd heeft dat Rabobank tekortgeschoten is in haar voorlichting over de preventieclausules. De verwijten van Woo kunnen dus niet leiden tot aansprakelijkheid van Rabobank. Woo wordt in de proceskosten veroordeeld: de kosten aan de zijde van de Rabobank bedragen al ruim dertienduizend euro.

Wat kunt u doen?
In deze casus draait het om de afspraken die de financieel dienstverlener met zijn klant heeft gemaakt over de reikwijdte van de dienstverlening. Het is daarom verstandig om voordat u begint met uw werkzaamheden, dat u goed inventariseert wat de klant van u verwacht en of en zo ja, op welke wijze u hier invulling aan kunt geven. Leg vervolg de gemaakte afspraken vast in een opdrachtbevestiging of bevestig ze per e-mail.

Hoewel het nog niet gebruikelijk is, is het in de adviesmarkt voor schadeverzekeringen verstandig om dezelfde advieslijn aan te houden als bij complexe en impactvolle producten, te weten:
  1. Klantspecifiek inventariseren
  2. Analyseren (risico’s en productoplossingen)
  3. Gemotiveerd adviseren
  4. Bemiddelen
  5. Doorlopende dienstverlening
Uit bovengenoemde casus blijkt dat het bijzonder belangrijk is om te beschikken over goede dossiervorming. In dit dossier is in 2002 geadviseerd en wordt uiteindelijk in 2016 vonnis gewezen.

Wat kan SVC voor u doen?
SVC heeft een Wft Certificeringsaudit ontwikkeld voor financieel dienstverleners. Na deze audit weet u precies waar u staat! Als u niet voldoet aan de eisen die de Wft aan uw onderneming stelt, dan ontvangt u van ons praktische tips en handreikingen om hier invulling aan te geven. Voldoet u wel aan de Wft, dan ontvangt u van ons een Wft Certificaat en kunt u zich profileren als een Wft gecertificeerd kantoor.

De volledige uitspraak van de rechter vindt u hier